HERINNERINGEN AAN WO II
Door Tom Vuerinckx

Nvdr. De paper van Tom (momenteel student geschiedenis, KUL) behoort tot het selecte groepje van de best historisch onderbouwde en stilistisch zeer verzorgde bijdragen van de hele Oral History reeks (2000-2004).

Te jong, te oud,…

“Het was 1940. Oorlog! Ik, Jacques Staudt, woonde in Kessel-Lo (waar ik nog steeds woon) en was zes jaar.  Te oud om het niet te beseffen, te jong om er actief aan deel te nemen. Oud genoeg om de minder aangename gevolgen te dragen en te ondervinden; te jong om het allemaal volledig en ernstig te ondervinden. Te oud om de gebeurtenissen compleet te negeren.”

10 mei 1940

“Onzekerheid omtrent een mogelijke oorlog in 1939. Alhoewel België als onafhankelijk land ogenschijnlijk niets te vrezen had, hing oorlog als een latente bedreiging boven onze hoofden en waren de meeste burgers zich bewust van het dreigende gevaar. Mijn vader, Gaston Staudt, werd gemobiliseerd en gekazerneerd in Tongeren, in een tot kazerne omgevormde school. Iedereen was ervan overtuigd dat deze toestand slechts een voorlopige maatregel was die, gezien onze onafhankelijkheid, niet lang zou duren en dat de reservisten vlug terug naar hun familie zouden worden gestuurd. Niets zou minder waar blijken! 10 mei 1940. Een zonnige morgen. Ikzelf lag te bed, te bekomen van een zo-veelste astmacrisis. Ik had juist vernomen dat mijn vader, die met weekendverlof was, diezelfde nacht was opgeroepen om zich bij zijn eenheid te voegen.  Was hij thuis gebleven, er zou geen haan naar gekraaid hebben, gezien de ono-verzichtelijke chaos die er toen in het leger al heerste. Vader was echter plichtsbewust en was de mening toegedaan dat het zijn vaderlandse plicht was om onmiddellijk gevolg te geven aan de militaire oproep en zich bij de manschappen te voegen in Tongeren. In de late voormiddag weerklonk plots een oorverdovend gierend geluid gevolgd door twee zware ontploffingen. Later bleek dat twee Stuka’s (gevreesde Duitse vliegtuigen) de Centrale Werkplaatsen van de N.M.B.S., gelegen langsheen de Diestsesteenweg te Blauwput, waren komen bombarderen. Deze Duitse vliegtuigen die zeer precies en gericht hun werk deden, hadden op zeer korte tijd een enorme ravage aangericht. Iedereen wist het nu wel en het werd via de radio ten overvloede medegedeeld. Duitsland had zich van onze onafhankelijkheid niets aangetrokken en had ons eenvoudigweg unilateraal de oorlog verklaard. Wat niemand had verwacht, was droevige werkelijkheid geworden. De volgende dagen werd er over het hele land druk gebombardeerd en vielen er talrijke slachtoffers, zowel bij de burgerbevolking als bij de soldaten. De Belgische soldaten trachtten zich met de moed der wanhoop te verzetten, maar moed volstaat echter niet als men voor een dergelijke overmacht wordt geplaatst.”


Wereldoorlog II

Op vlucht

“De inwoners die wisten dat het Duitse leger met rasse schreden massaal in aantocht was en zich het afschuwelijk gedrag van het Duitse leger gedurende Wereldoorlog I herinnerden, begonnen in dichte drommen op de vlucht te slaan.  Het is inderdaad geschiedkundig bewezen dat de Duitse bezetters gedurende Wereldoorlog I lelijk hebben huis gehouden.  Onder meer in Aarschot, waar zij 169 onschuldige burgers koelbloedig hebben vermoord. Moeder, grootmoeder en ikzelf besloten dan maar ook op vlucht te slaan. Maar, waar naar toe? Openbaar vervoer was er niet meer en een auto hadden wij niet. Dus dan maar gepakt en geladen te voet op weg naar het onbekende. Langsheen verwoeste straten en brandende huizen, vooral de Gemeentestraat was zwaar getroffen, trokken wij drieën verder. Chaos alom, wenende mensen,… Deze verscheurende beelden zijn mij steeds bijgebleven en hebben een onvergetelijke indruk nagelaten… Hoe wij uiteindelijk in Brugge zijn terechtgekomen, is een verhaal apart, zo onwaarschijnlijk dat ik het mezelf nog met grote moeite kan voorstellen. Wel weet ik nog dat het grootste gedeelte te voet werd afgelegd; dan weer enkele kilometers op een boerenkar, die volgeladen was met vluchtelingen en het weinige dat ze hadden weten te redden. Vervolgens op een versleten vrachtauto, waar nog nauwelijks plaats op was om behoorlijk te kunnen zitten. Toch hebben wij daarop -in open lucht- de nacht doorgebracht. Ik, zittend op moeders schoot, en mama zittend op een zeer ongemakkelijke plaats. Maar moeders zijn sterk, ijzersterk, de hele nacht heeft zij mij op haar schoot gehouden, de pijn verbijtend veroorzaakt door haar ongemakkelijke houding (zucht). De volgende dag was zij geradbraakt, desondanks moesten wij verder langs wegen die aan beide kanten bezaaid lagen met auto’s die defect waren of geen benzine meer hadden, allerlei vervoermiddelen die om de een of andere reden onbruikbaar waren geworden, dode paarden, dode koeien; een waar inferno, waar duizenden verbauwereerde vluchtingen hun weg doorheen zochten naar ergens waar zij hoopten zich veilig te voelen. Velen zijn, ik weet niet hoe, tot in het zuiden van Frankrijk geraakt waar zij onderdak vonden bij bereidwillige bewoners of in -door de gemeenten georgani-seerde- vluchtoorden, scholen, kloosters,… Dit was het geval met mijn toekomstige schoonouders, die met negen kinderen –waarvan de jongste slechts enkele maanden oud was-  tot diep in Frankrijk zijn geraakt. Anekdotisch aan deze vlucht is wel het feit dat de jongste baby –die later een vriend zou worden– bij gebrek aan melk, deels gevoed werd met aangelengde rode wijn. Feit is dat deze jongen later is uitgegroeid tot iemand die een lekkere pint kon verdragen zonder ooit dronken te worden. Waar een oorlog al niet toe leiden kan! (lacht) Eenmaal aangekomen in Brugge vonden wij onderdak bij een Brugse familie die, ik weet niet meer hoe of waarom, ergens connecties had met het werkmilieu van mijn vader. (Spijtig is dat wij later nooit nog enig contact hebben gehad met deze vriendelijke mensen). Daar troffen we de zus van mijn moeder en haar zevenjarige zoon aan.”

De intrede van het Duitse leger

“Ondertussen had nazi-Duitsland België als een pletwals overmeesterd en had de Belgische regering en het Belgisch leger het wijze besluit genomen om te capituleren.  Verdere tegenstand zou slechts tot bloedvergieten hebben geleid en het zou sowieso niets aan de toestand hebben veranderd. De overmacht was nu eenmaal te groot, overweldigend groot. Het Duitse leger was enorm goed georganiseerd en uitgerust, maximaal getraind en voorbereid om een ware Blitzkrieg te voeren. Eens België bezet was en wij de triomfantelijke intocht van het Duitse leger in Brugge hadden aanschouwd, was iedereen er wel van overtuigd dat wij in de handen waren gevallen van een duidelijk sterkere macht, waar geen Belgisch kruid tegen opgewassen was. Wat mij als jonge knaap bijzonder is bijgebleven, was dat het Duitse leger -onze bezetters- blijk gaven van orde, tucht, discipline; een waar eliteleger met prachtige uniformen, veelkleurige vlaggen en vaandels, mooie paarden,… Het was een indrukwekkende parade waar wij allen met grote, verbaasde ogen naar keken.”


Kongo

Uit het leven van Josephine Gooris in Kongo
Door David Deschrijver

Mijn grootmoeder, Josephine Gooris (28 januari 1914, Sint-Joris-Winge), staat bekend als "Margriet", maar haar man, de reeds overleden Jozef "Jef" Merckx, noemde haar "Maggy". Haar broers zeggen "Fien". Zelf zeg ik "Mami". Zij is een dame die een bijzonder actief leven heeft geleid, zoals zij aangeeft vooral "in functie" van haar echtgenoot die een geslaagde carrière in staatsverband maakte in Belgisch Kongo. Zij heeft vier dochters, is grootmoeder van veertien kinderen en overgrootmoeder van twee achterkleinkinderen.

"Ik groeide op in een landbouwersgezin met negen kinderen. Ik was de derde oudste. Ik liep school tot mijn veertiende jaar en volgde daarna nog wat lessen Frans. Vader vond dat belangrijk. Ik zag "de boerenstiel" helemaal niet zitten en ik ging werken als kinderoppas bij professor Dubaisieux in Leuven. Gedurende zeven jaar verzorgde ik zijn drie kinderen. In 1936 verloofde ik imj met Jozef Merckx. Ik kende hem reeds lang. Hij was ook van Sint-Joris-Winge. Kort na onze verloving werd hij opgeroepen om "in de Kongo" te gaan werken, waar hij van droomde. Hij beloofde dat hij er snel zou voor zorgen dat ik ook naar Kongo kon afreizen. Sommige dorpsbewoners waren er niet over te spreken dat ik van mijn vader naar Kongo mocht vertrekken. Ik was nog niet getrouwd,... . Ik trouwde op 27 januari 1937 "in de Kongo" en ben er gebleven tot in juli 1960. In het begin had ik drie "boys". Ik moest de hele dag niets anders doen dan mijn boys commanderen,... . Dat was niets voor mij. Ik heb daarom heel wat projecten opgezet met de zwarte vrouwen zoals naai-ateliers met stoffen die wij kregen van de staat. Verder ging ik bijna altijd met "Papi" (mijn echtgenoot) mee op reis wanneer deze op "inventarisatie-tocht" was. Dit gebeurde met "de camionet" of "de tipoi", waarmee de zwarten mij droegen. "Witte vrouwen" mochten immers niet alleen gaan "in de brousse". Ook gingen er drie soldaten met mij mee (verplciht door de Belgische staat voor bescherming). Op deze wijze heb ik bijna "de hele Kongo" gezien."