Marc Vanlangendonck

De wereld van de anthropía

Vandaag is het feest! Voor de tweede keer op rij heeft WICO Campus Sint-Hubertus in Neerpelt een Oral History project tot een goed einde gebracht. In feite gaat het om veel meer dan “tot een goed einde” brengen! Het werk dat wij vanavond vieren, is uitstekend! Ik onderstreep graag dat u in dit boek alleen excerpten van de papers van de leerlingen terugvindt. Onze publicatieruimte is nu eenmaal beperkt. Ik feliciteer dan ook de jongeren en de senioren die met veel inzet het project hebben gerealiseerd. Ik dank ook Hans Proost, de bezielende leerkracht achter het project, de schooldirectie en de mensen van de Wulp, in het bijzonder medewerkster Gaby Bollen en voorzitter dokter Willy Pardon. Is dit Oral History project wetenschap? Heeft het een wetenschappelijke waarde? Uiteraard. Bij nader toezien bestaan de Expeditions projecten van Oral History op School, zoals ook neergelegd in dit project, uit drie elkaar aanvullende voedingsbodems. Een driehoek als het ware. Het eerste element van onze driehoek ligt voor de hand: de reconstructie van het nabije verleden door middel van mondelinge getuigenissen. Het tweede element ligt al veel minder voor de hand in onze maatschappij: “de communicatie tussen jong en oud”. En het derde element van deze driehoek is voor velen onbekend en betreft de dynamiek van cultuur. Wat hebben de leerlingen in essentie gedaan? Ze hebben geluisterd naar mondelinge bijdragen over het nabije verleden, hier in de streek. Ze hebben die mondelinge bijdragen omgezet naar teksten. Die teksten zijn door de begeleidende leraars en het team van Expeditions geredigeerd en bewerkt. Met andere woorden, de mondelinge bron, de getuigenis, is doorheen dit proces een schriftelijke bron geworden. Tegenstanders van Oral History op School zullen zeggen: “Is dat wel allemaal waar wat in dit boekje staat?”. “Zijn dat geen vertelselkes?” Kerkstraat 18? Moet dat niet kerkstraat 21 zijn? Dit is een probleem waar uiteraard elke professionele historicus/historica of humane wetenschapper altijd mee wordt geconfronteerd. Maar tegelijkertijd zien we hier de kracht van Oral History door het derde puntje van onze driehoek: de dynamiek van cultuur. Sta mij toe om een vergelijking te maken. U kent allemaal de verhalen die in toeristische brochures, gidsen, boeken ... worden geschreven. Welnu, ik ben van Leuven en als ik lees wat in die brochures staat ... Wat stel ik vast? Is dat Leuven? De Leuvenaars van die verhalen zijn plots twee keren groter, twee keren mooier, twee keren ... u kan zelf invullen ... dan diegenen die ik elke dag in Leuven tegenkom. In die verhalen naar toeristen blijken de Leuvenaars plots een soort van goden te zijn geworden. Want er is uiteraard geen reactie van de toeristen mogelijk; de toeristen zijn maar enkele dagen in Leuven. Ziet u de kracht van Oral History? De mondelinge getuigenissen, neergelegd in een geschreven bron, worden door de gemeenschap, hier de regio van het Neerpeltse, door het boek te lezen opnieuw besproken en ontleed, opnieuw beleefd en geanalyseerd waarbij visies op geschiedenis ontstaan. Anders gezegd, Oral History haalt juist haar kracht uit wat tegenstanders ervan “het anekdotische”, “het kleinschalige” noemen. Oral History brengt inderdaad geschiedenisbeleving in kaart! Hoe wordt geschiedenis beleefd, en door de jongeren/onderzoekers én door de senioren/vertellers. Oral History verhalen, “narratives” zoals men in de antropologie zegt, leveren dan ook grote vragen op, zijnsvragen. Wie wij zijn, is wie wij waren? Hoe ver ga je terug in de tijd voor een bepaald wij-gevoel? Vormt grondgebied identiteit? Oral History gaat van het kleinschalige naar de zijnsvraag met een terugkoppeling naar het kleinschalige: “tussen worden en zijn en opnieuw worden”. Indien we dit alles meenemen naar wat in dit project is gebeurd, zien we het volgende.
De senior/verteller en de jongere/onderzoeker ondernemen samen (!) een tocht naar culturele identiteit; de wijze waarop mensen cultuur creëren. Cultuur wordt dan begrepen als de afspraken die tussen mensen in een bepaalde tijd en op een bepaalde ruimte worden gemaakt om te kunnen samenleven. Is dit alles eenvoudig? Het vastleggen van het aannemelijke tussen gevoelens van verwondering, ongeloof of zelfs verbijstering (“hoezo jullie hadden geen douche?”); het kritisch vermogen op volle toeren laten draaien; de juiste stemintonatie hanteren bij vooraf goed voorbereide vragen; en tegelijk de historische kennis en de aangeleerde historische methode toepassen ... Oral History eist het allemaal! En er is meer. Leren luisteren, het dramatische om het dramatische durven schrappen, een correcte en een beleefde houding, zichzelf durven tonen zoals men is, zich in een verhaal, in een mensenleven inleven en dit alles in een heldere taal in een persoonlijk werkstuk naar voor brengen! Eenvoudig? Ik heb ooit de oefening gemaakt en ik kwam tot eenentwintig basisvoorwaarden: van wilskracht tot leergierigheid, van kritische zin tot sociale gerichtheid,  van flexibiliteit tot efficiëntie, van zelfsturing tot procesgerichtheid ... Samengevat, Oral History gaat over wijsheid en en wil daarbij vooral “leren begrijpen”, niet zozeer verklaren. Oral History op School projecten bieden een warmte aan, een warmte waarnaar elke samenleving hunkert, ongeacht haar religie, haar politiek systeem, haar cultuur. Met dit project bevinden wij ons dan ook in de leefwereld van “de anthropía”, wat in de Griekse taal staat voor “alles wat menselijk is”, in diepte: de menselijke warmte. Anders gezegd en in eenvoudige woorden: “waarvoor en waarvan elke mens leeft”.
 
Academische Zitting, oktober 2007
Uit de speech van Dr. Marc Vanlangendonck, voorzitter Expeditions