Frank Vandenbroucke


pastedGraphic

Frank Vandenbroucke (Leuven, 1955) is vooral bekend omwille van zijn uitgebreide politieke carrière. Naast het voorzitterschap van de SP bekleedde hij ook diverse ministerposten, waaronder federaal en vlaams vice-eerste minister.
Met onderstaande speech opende hij, als toenmalig minister van Sociale zaken en Pensioenen, de academische zitting rond het Oral History proejct II (KA Aarschot) op 17 mei 2002.

De geschiedenis van een mensenleven Wie bouwde het zevenpoortige Thebe? In de boeken staan de namen van koningen. Hebben de koningen de rotsblokken aangesleept? (...) Bertolt Brecht, Vragen aan een lezende arbeider (vertaling G. van Istendael)
Bertholt Brecht hekelt in dit bekend gedicht de geschiedschrijving die zich zo goed als uitsluitend interesseert voor de protagonisten in het historisch verloop en die vooral oog heeft voor de roemruchte daden van keizers, koningen en vooraanstaande militairen. Tot voor enkele decennia was dit inderdaad de overheersende toon, niet alleen in de historiografie, maar ook in het geschiedenisonderwijs. De ouderen onder ons hebben daardoor een misschien niet al te beste herinnering aan hun lessen geschiedenis. Namen, feiten en jaartallen, veldslagen en vredesverdragen, het was een saaie en eenzijdige benadering van discipline die anderzijds door sommigen wel eens wordt omschreven als "la reine des sciences".

Sinds de publicatie in 1935 van Brechts spraakmakend gedicht, is gelukkig veel veranderd. Historici hebben zich gebogen over nieuwe onderwerpen, ze zijn zich nieuwe vragen gaan stellen, en ze hebben nieuwe bronnen aangeboord. Vanaf het midden van de twintigste eeuw is steeds meer aandacht uitgegaan naar demografische ontwikkelingen, arbeid en inkomen, voeding en leefgewoonten, de rol van het verenigingsleven, van sociale organisaties zoals ambachten en vakbonden ... Er is een verschuiving opgetreden in de belangstelling van historici, ze zijn zich minder gaan toeleggen op het leven en de handelingen van de groten der aarde, en meer op de geschiedenis van het leven van alledag. Wie een boekhandel binnenloopt en wat rondneust in de afdeling geschiedenis, merkt het meteen: heel wat publicaties handelen over op het eerste zicht gewone dingen en gewone mensen. De sociale invalshoek is sterk aanwezig. Samen met de aandacht voor deze nieuwe thema's, heeft men ook het belang ontdekt van een nieuwe, tot dan toe zo goed als onbenutte bron: het verhaal van de mensen. Voor de geschiedenis van pakweg vóór 1900 blijven historici aangewezen op hun traditionele bron van informatie, het geschreven of gedrukte woord, soms aangevuld met afbeeldingen of archeologische vondsten. Maar voor het recentere verleden, heeft men nu ook ingezien dat mensen en hun herinneringen kunnen helpen om de geschiedenis te schrijven.

Wie antwoorden zoekt op de vragen die Bertholt Brecht zich in zijn gedicht stelt, stelt vast dat de geschreven bronnen ons relatief weinig meedelen over de concrete levensomstandigheden en de mentale wereld van de gewone man of vrouw. Als er al over hen werd geschreven, gebeurde dat vaak door diegenen die over hen heersten of over hen moesten oordelen. Voor de geschiedenis van de twintigste eeuw ligt dat anders, vooral dankzij de mondelinge geschiedenis.


Meestal bevatten getuigenissen van gewone mannen en vrouwen op het eerste zicht weinig spectaculairs, maar daarom zijn ze niet minder veelzeggend. Ik was getroffen door een passage in de tekst van Dimitri Vanderwaeren (Uitgave II, p. 135). Blijkbaar was hij eerder sceptisch aan zijn Oral History opdracht begonnen, want hij vroeg zich af "wat een oudere om je heen in hemelsnaam ook te vertellen zou hebben buiten eeuwige mijmeringen over vroeger". Na enkele gesprekken met zijn 73-jarige grootvader was hij helemaal van mening veranderd. Zijn opdracht had geleid tot "een kleine ontdekkingstocht waarin je snel merkte dat er toch wat meer aan de hand was dan de zaken waar men direct aan denkt". De reserves zoals Dimitri die aanvankelijk aanvoelde, merkt men soms ook bij de geïnterviewden. Sommige informanten achten hun rol zo onbeduidend dat ze het niet de moeite vinden om er iets over te vertellen.

Maar het relaas van gewone dingen uit gewone levens is zeer kostbaar. Het leert ons bijvoorbeeld hoe belangrijke gebeurtenissen en evoluties uit de afgelopen eeuw door de mensen werden ervaren. Mondelinge geschiedenis reveleert. We kunnen dan wel allerlei dingen lezen over pakweg de ontwikkeling van medische kennis, maar dat wordt pas echt tastbaar wanneer we kunnen achterhalen wat dat heeft betekend in het leven van mannen en vrouwen van vlees en bloed. Een tabel over kindersterfte in het begin van de twintigste eeuw zal niets aan duidelijkheid en objectiviteit overlaten, maar het verhaal van een moeder die in 1930 haar kind heeft verloren door een vandaag eenvoudig behandelbare ziekte, laat je nooit meer los. Of nog, de aanpak van een in onze ogen banaal probleem als tandpijn. In de bijdragen van Benjamin Costermans en Sarah Van Cauwenbergh (Uitgave I, p. 35-39 en p. 41-48) lezen we dat dit tot kort na de Tweede Wereldoorlog geen sinecure was. Tandartsen waren niet beschikbaar zoals ze dat vandaag zijn. Met een dringend tandprobleem kwam je dus terecht bij een huisarts die zich zo goed en zo kwaad hij kon uit de slag probeerde te trekken. Verhalen als deze illustreren veel beter dan een wetenschappelijke uiteenzetting dat er op het vlak van gezondheidszorg een hele weg is afgelegd. En tegelijk laten ze ons mee de onzekerheid van het leven vroeger ervaren. Veel meer dan vandaag waren ziekte en dood toen alomtegenwoordig in het leven. Verhalen als deze maken ook duidelijk welke enorme verandering er sinds die tijd opgetreden is in het beroep van huisarts: in spreekbeurten over de malaise die huisartsen vandaag ervaren, heb ik al meer dan eens het verhaal over Dr. Corens aangehaald.


De twintigste eeuw was de eeuw van technologie, mechanisering, automatisering. Dat maken we allemaal aan den lijve mee. Meer nog, we zouden ons het leven niet meer kunnen voorstellen zonder televisie, computer, auto,... De verkoop en verspreiding van radio's en televisietoestellen in België is door historici en sociologen in kaart gebracht en in nette grafiekjes gegoten. Maar hoe dit het leven van de mensen heeft veranderd, kunnen we uit die cijfers en grafieken niet opmaken. Daarvoor moeten we het oor te luisteren leggen bij de mensen. Frans Sorgeloos getuigt in Uitgave II dat radio in zijn kinderjaren - rond 1930 - een groot luxeproduct was. In zijn buurt was er maar één radio, die van de hoofdonderwijzer van de lokale lagere school. De in 1910 geboren Jos Lemmens verhaalt dan weer (bijdrage Femke De Clippel, Uitgave I, p. 78-80) hoe de bioscoop halverwege de jaren '20 opkwam, of -kunnen we het ons voorstellen?- hoe er nauwelijks auto's in de straten te bespeuren waren.

Mondelinge geschiedenis is ook een bijzonder efficiënte manier om na te gaan hoe mensen crisissen die we kennen uit de boeken, beleefden en doorstonden. De werkloosheid in Vlaanderen kort na de Eerste Wereldoorlog, die leidde tot seizoensarbeid naar Wallonië of Frankrijk - ook Vlamingen zijn ooit gastarbeiders geweest. De armoede van de jaren '30, of de oorlog van '40-'45. Uit talrijke getuigenissen die in de Uitgave I en Uitgave II staan opgenomen, blijkt hoe de Tweede Wereldoorlog diegenen die hem hebben meegemaakt, onvoorstelbaar sterk heeft getekend. Niet alleen zij die de gruwel van de oorlog zelf hebben ondergaan, maar ook alle anderen die leefden onder een al dan niet als verdrukkend ervaren bezetting.

Het zijn dergelijke verhalen van gewone mensen over hun gewone dagelijkse leven, die ons toelaten de grote gebeurtenissen uit het recentere verleden in te kleuren. Ze geven een meerwaarde aan de rode draden die in de geschiedenisboeken staan opgetekend. Het relaas van hun subjectieve aanvoelen van feiten en maatschappelijke ontwikkelingen die ze hebben meegemaakt of ondergaan, hun subjectieve ervaringswaarde wordt zo een objectieve bron.

Bovendien, en dat blijkt ook goed uit de vele bijdragen die we in de twee voorgaande publicaties rond Oral History hebben kunnen lezen, kan via mondelinge geschiedenis nieuwsoortig onderzoek gebeuren, onderzoek naar fenomenen en omstandigheden waarover de traditionele geschreven bronnen een al dan niet zedig stilzwijgen bewaren, of waarover eenvoudigweg geen geschreven bronnen bestaan. Dankzij mondelinge geschiedenis kunnen we een beeld krijgen van zeer interessante en voor de mensen erg belangrijke facetten van het leven, kunnen we toegang krijgen tot de individuele microcosmos van vroeger. Hoe werd solidariteit en klassebewustzijn ervaren? Hoe werd aangekeken tegen pastoors, notabelen en patroons? Hoe gingen in de volkse buurten ouders om met hun kinderen? Hoe werden jongens en meisjes voorbereid op sexualiteit: via ma en pa, of op straat of op de werkvloer? Hoe werd de schaarse vrije tijd doorgebracht? Mondelinge geschiedenis kan ons zo heel veel informatie verschaffen over intermenselijke relaties. Of over de materiële context waarin men leefde. Hoe was het gesteld met de kwaliteit van de woningen? Welke nutsvoorzieningen verschenen wanneer? Wat hing in arbeidersbuurten aan de muren? Afbeeldingen van heiligen, van koning en koningin, prentjes van berglandschappen, plaatjes van Cardijn, van Stalin? En zo komen we tot de mentale leefwereld: welke rol speelde de godsdienst? Was er sprake van bijgeloof - uit de volkse vertellingen van Céline Serneels leren we dat zelfs nog tot voor enkele decennia hier en daar geloofd werd in heksen en weerwolven (Uitgave I, p. 87)? Hoe werden de culturele verschillen tussen lagere en hogere klassen beleefd? Welke plaats nam vorst en vaderland in in de hoofden van de mensen? Hoe keek men aan tegen de vooruitgang? Wie zal het ons zeggen? Onze oudere mondelinge informanten! Mondelinge geschiedenis is hét middel bij uitstek om door te dringen in de leefwereld van de onderste lagen van de bevolking. Mondelinge geschiedenis is bij uitstek de geschiedenis van de kleine man. Het belang ervan kan niet worden overschat, en het stemt me erg gelukkig dat met name in het Koninklijk Atheneum van Aarschot uitdrukkelijk wordt gewezen op de waarde van dit soort onderzoek en op de kansen die het biedt.
Maar ik ben ook gelukkig met een ander resultaat van dit project, en dat is dat op die manier de kloof die soms gaapt tussen jong en oud, wordt verkleind. Door mondelinge geschiedenis te beoefenen leren jongeren, en ook dit heeft heeft het Aarschotse experiment bewezen, hun oudere familieleden, buren of kennissen beter kennen en appreciëren. Lisse De Blick (Uitgave II, p. 57-68), Dimitri Vanderwaeren (Uitgave II, p. 135), Raf Verstraete (Uitgave II, p. 152-154) en anderen hebben zich door hun opdracht gerealizeerd hoe weinig ze wel weten over het leven van hun grootvader, maar tegelijk hebben ze ontdekt hoe interessant en rijk het leven van de oudere generaties wel is geweest. Door deze actieve uitwisseling en communicatie vernemen jongeren ook heel wat over het recente lokale en regionale verleden, waarvan zij als het ware de verderzetting zijn. Dit schept een band, het versterkt de gedeelde identiteit. Het slaat bruggen, generaties komen hierdoor nader tot elkaar, en dat is heel belangrijk in een maatschappij waar straks vier generaties samenleven. Jonge mensen krijgen hierdoor een positiever beeld van de senioren, ze leren dat zestigplussers heel veel levenservaring hebben. Stel je voor: iemand die rond 1920 geboren is, heeft als kind leren schrijven met lei en griffel of kroontjespen, kort na de oorlog is de balpen dan algemeen verspreid geworden, vervolgens is de typmachine gemeengoed geworden, om vanaf het begin van de jaren '80 dan weer te worden verdrongen door de tekstverwerker. Tot die op zijn beurt dan weer werd vervangen door de multimediale PC. Van paard en kar tot TGV, van dubbeldekker tot ruimteveer, en dat allemaal in één leven. Nooit in de geschiedenis heeft een mens in zijn dagelijks bestaan zoveel verandering ondergaan en geabsorbeerd als in de twintigste eeuw. De senioren van vandaag hebben turbulente ontwikkelingen meegemaakt en doorstaan. Jongeren kunnen uit die ervaring leren.

Dit menselijk kapitaal waarover de oudere generaties beschikken, is maatschappelijk heel erg belangrijk, en mondelinge geschiedenis is een van de manieren om dit te valorizeren. In mijn boek Tien kleine Belgen zet Dirk Tieleman zich heel terecht af tegen de wijze waarop onze samenleving met senioren omgaat. "Men moet ophouden mensen steeds vroeger af te schrijven", zegt hij, men moet vermijden dat de ervaring van ouderen verloren gaat (p. 53-54). Hij heeft gelijk. De maatschappelijke participatie van ouderen is van fundamenteel belang en ze moet op verschillende manieren worden gestimuleerd. Het waarderen en aanwenden van hun kennis en ervaring voor de geschiedschrijving, vormt daar zeker een belangrijk element in. Deze als het ware historische rol, dit cultureel engagement van senioren is een van de vele manieren waarop ze actief en op een hoogst relevante wijze in de maatschappij kunnen participeren.

U heeft het gemerkt, om heel veel redenen, zowel van historische als van sociale aard, heb ik in deze bijdrage een pleidooi gehouden voor mondelinge geschiedschrijving. Maar eigenlijk, bij het neerschrijven van deze laatste regels, maak ik bij mezelf de bedenking dat de opname in deze Uitgave III van een tekst met een dergelijke inhoud in wezen een beetje overbodig is. In het Koninklijk Atheneum van Aarschot hoeft immers niemand te worden overtuigd. De resultaten van dit project spreken voor zich. Misschien kan mijn bescheiden bijdrage dan eerder gelezen worden als de uitdrukking van een gedeeld enthousiasme en van een grote waardering voor dit maatschappelijk engagement van directie, leraars, leerlingen en informanten die hun kennis met ons hebben gedeeld.