Marleen Vanderpoorten


pastedGraphic

Marleen Vanderpoorten (1954) begon haar carrière in het onderwijs. Later zou ze in de politiek gaan. Naast diverse lokale ambten, waaronder het dragen van de burgemeestersjerp, heeft zij ook naam gemaakt als minister en als eerste vrouwelijke voorzitter van het Vlaams Parlement.
Onderstaande speech werd door haar gegeven in hoedanigheid van Minister van Onderwijs op 22 maart 2001, naar aanleiding van de publicatie van het eerste 'Oral History'-boek van het KA Aarschot.

Als minister, maar ook als historica heb ik met veel belangstelling kennis genomen van het initiatief van het Koninklijk Atheneum Aarschot om de zesde jaarsleerlingen aspecten van het vroegere dagelijkse leven in het Hageland te laten herleven door middel van "Oral History". Vanavond wordt de publicatie hiervan in boekvorm aan u voorgesteld en toegelicht. Ik ben blij en ook trots dat ik aan deze academische zitting een bijdrage mag leveren.

In mijn studentenjaren werden orale bronnen als historische bronnen misprezen. Geschiedschrijving moest steunen op geschreven bronnen, over gebeurtenissen van zeker 50 jaar geleden en liefst nog verder in het verleden. Het historisch serieux eiste immers strikte objectiviteit, wat trouwens een illusie blijkt te zijn. In de geschiedenisboeken werden veel oorlogen besproken, maar over wat mensen dagelijks bekommerde, kwamen we vaak weinig of niets te weten. Geschiedenis stond eigenlijk ver van de leerlingen. Gelukkig, en dit zowel voor de geschiedenis als wetenschap als voor de leerlingen die geschiedenisonderricht krijgen, is hier sinds enige tijd verandering gekomen. Ooggetuigen van voorbije gebeurtenissen interviewen om hiermee historische feiten te reconstrueren wordt ook door professionele historici steeds meer als een eerbare en legitieme wijze van historisch onderzoek beschouwd en ook toegepast. In vele universiteiten vormen projecten van "Oral History" nu al een onderdeel van de opleiding tot historicus.

Dat dergelijke projecten ook voor niet-historici boeiende geschiedenis kunnen opleveren, bewijzen de tv-series over de Tweede Wereldoorlog van Maurice De Wilde, die de BRT in de jaren '80 en '90 uitzond. Of meer recent de fel bejubelde Britse reeks "A people's Century" over de geschiedenis van de 20ste eeuw, waarvan de interviews met ooggetuigen een bijzonder levensecht karakter gaven. En dan is er natuurlijk het boek dat hier vanavond voorligt.

Ik laat me hier nu niet verder uit over de betekenis van orale geschiedenis voor de geschiedenis als wetenschap, of over de valkuilen waarin de "orale historicus" kan komen. Het interesseert me wel, maar het dispuut tussen voor- en tegenstanders wordt best op een ander forum gevoerd dan hetgeen mij hier vanavond geboden wordt.

Graag wil ik iets zeggen over wat volgens mij de meerwaarde is (of kan zijn) van "Oral History" voor het onderwijs in de geschiedenis aan jonge mensen. Ik zie daarin enkele grote voordelen, zowel voor het geschiedenisonderwijs als voor de harmonische vorming van onze jongeren.

Ten eerste - en dat vind ik persoonlijk het allerbelangrijkste - wordt de motivatie van leerlingen erdoor bevorderd. Motivatie - of gebrek daaraan - is voor het hedendaags onderwijs een knellend probleem. Als onderwijsmensen vragen we ons af of het leren op school nog wel alle kwaliteiten bezit, waardoor het in aanmerking komt om te kunnen concurreren met het leren buiten de school. Ik denk dat we daar niet altijd ongenuanceerd "ja" kunnen op antwoorden. Neem nu geschiedenis (voor wiskundigen zou ik het hier met evenveel reden over wiskunde hebben). Onze traditionele schoolboeken over geschiedenis gaan gewoonlijk over politiek of militair belangrijke gebeurtenissen, over staatslieden en legerleiders, over grote verschuivingen in het denken en zomeer. Over de kleinere rimpels, over "gewone" mensen en dingen, over wat er in de eigen streek, de eigen stad of het eigen dorp gebeurde, vernemen we minder. "Orale geschiedenis" gaat hier juist wel over.

Ze brengt de leerling in contact met mensen uit hun omgeving die vertellen hoe het vroeger was, over wat ze hebben meegemaakt, over wat ze vinden dat er veranderd is en wat niet. De leerlingen zien a.h.w. voor hun ogen een stukje geschiedenis vorm krijgen. Ze ervaren ook hoe ze geschiedenis "construeren", dat hun eigen inbreng - in vorm van de vragen die ze stellen b.v. heel belangrijk is voor het eindresultaat. Dat trouwens pas een écht resultaat wordt als ze de ruwe gegevens samenbrengen en interpreteren. Ze zijn creatief met geschiedenis bezig en die creativiteit wordt beloond met een onvermoede doorkijk op hoe het vroeger was. En wellicht ook op een diepere inkijk op hoe het nu is en waarom.

Eigen familieleden ondervragen, de eigen streek van vandaag met die van gisteren verglijken, horen vertellen hoe het ongewone van vroeger heel gewoon geworden is, en omgekeerd, is een uitgelezen weg om geschiedenis voor de leerlingen levend te doen worden, om aan te sluiten bij hun leef- en belevingswereld. Over wat ze gehoord en eventueel ook gezien hebben, kunnen de leerlingen vertellen, aan elkaar, maar ook aan anderen. Met een beetje technische assistentie kunnen ze er een geluids- of diamontage over maken. Ze kunnen er zelfs, zoals hier is gebeurd, een boek over schrijven.

Leerlingen leren wat geschiedenis eigenlijk is: niet alleen de grote verhalen van de mensheid, maar evenzogoed de kleine verhalen van mensen. Groeit het historisch beself niet door de relatie tussen beide soorten verhalen, de grote en de kleine, zichtbaar maken? Dat laatste brengt me op een tweede pluspunt van "Oral History" voor het geschiedenisonderwijs. Naar methode is geschiedenis: werken met bronnen. Bronnen om vragen te vinden, bronnen om antwoorden te geven, bronnen om antwoorden en gegevens op hun betrouwbaarheid te onderzoeken. Bronnen zorgen voor ankerpunten en wegwijzers in het landschap van de tijd. "Oral History" leert leerlingen "schoolboekantwoorden" met eigen bevindingen te vergelijken; ze leert het bijzondere met het meer algemene te verbinden. Ze leert ook dat bronnen (en hun interpretatie) zelden neutraal zijn en dat het daarom zo belangrijk is om gegevens uit verschillende bronnen met elkaar te vergelijken.

"Oral History" laat leerlingen ervaren dat geschiedenis verandering betekent. Ze laat van heel nabij zien dat er, ook binnen de tijdspanne van één mensenleven of nog korter, veel verandert; dat "verandering" een heel gewone zaak is en dat zijzelf bijgevolg ook, wellicht in nog onvermoede richtingen, zullen veranderen. Maar ook dat er patronen in de samenleving zijn die quasi onveranderd blijven.

Belangrijk is ook dat met "Oral History" de vakgrenzen worden doorbroken, hetgeen tegenwoordig sterk bepleit wordt als een middel om school en "buitenwereld" dichter bij elkaar te brengen. Ik ben er een groot voorstander van om in het onderwijs meer uitdrukkelijke relaties tussen vakken aan te brengen. Niet dat ik zou vinden dat vakken moeten worden afgeschaft. Vakken kunnen de complexe werkelijkheid immers hanteerbaarder maken door deze op te splitsen. Maar waar het als het ware op een natuurlijke wijze kan, moeten er - meer dan nu het geval is - dwarsverbindingen tussen verschillende vakken worden gelegd.

Afhankelijk van de keuze van het onderwerp biedt "Oral History" unieke mogelijkheden voor inhoudelijke samenwerking met b.v. menselijke aardrijkskunde, economie of techniek. Het doet me erg veel plezier dat in het boek dat voorligt nadrukkelijk op dit vakdoorsnijdend aspect wordt gewezen.

Deze methodiek laat ook toe om aan de vaardigheidseindtermen inzake methodologische onderbouwing te werken. Ze levert de contexten voor deze eindtermen, nl. aspecten van de lokale en de regionale geschiedenis, die heel concreet zijn én dicht aansluiten bij de leef- en belevingswereld van leerlingen. Voor het verwerven van historisch besef, dat ook in de eindtermen terecht erg centraal staat, zijn dergelijke "levensnabije" contexten, die ook emotioneel dicht bij de leerlingen staan, erg belangrijk.

Jullie hebben enthousiasme getoond. Ik ben erg onder de indruk van de variatie in onderwerpen, van de kwaliteit van de teksten en vooral ook van het groot aantal leerlingen die erbij betrokken was. Ik lees over "bloed en tranen" dat het de leerlingen gekost heeft, maar ook over het plezier dat ze eraan hebben beleefd. Lasten en lusten dus, zoals in elke menselijke onderneming.

Ik feliciteer de school die het project heeft ondersteund en de leraars, met in het bijzonder het team van Expeditions onder leiding van Professor Vanlangendonck, die op deskundige wijze de regie hebben gevoerd. Ook de familieleden, kennissen, dorps- en streekgenoten, die de jeugd van vandaag hebben willen deelachtig maken aan hun ervaringen en belevenissen uit een rijk en vaak bewogen leven, verdienen een woord dank.
Op de eerste plaats feliciteer ik echter de onderzoekers: de leerlingen, die niet alleen geschiedenis beoefend hebben, maar ook een voorbeeldfunctie zijn voor andere leeftijdsgenoten. Ik hoop dan ook dat andere scholen dit voorbeeld zullen volgen.