Johan Leman


pastedGraphic

Johan Leman is hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven aan de faculteit sociale wetenschappen. Hij is voorzitter van het Centrum Interculturalisme, Migratie en Minderheden (IMMRC). Tot zijn belangrijkste onderzoekstopics behoren migraties, interculturalisme, etniciteit, multireligiositeit, mediterane culturen, mafia's en mensenhandel.
Deze speech werd door hem gegeven bij de voorstelling van het vierde 'Oral History'-boek van het KA Aarschot, op de Academische zitting van 21 juni 2003.


Toen mijn oud-student en oud-doctorandus, Dr. Marc Vanlangendonck, me vroeg om vanavond voor u een korte toespraak van een vijftien minuten te houden, kon ik natuurlijk moeilijk anders dan onmiddellijk toezeggen. Ik doe dit graag en met bijzonder veel sympathie voor Marc.
Mijn enige richtsnoer is dat het thema met antropologie en met oral history te maken moest hebben. Gezien het onderwerp zoveel ruimte open laat, verkies ik eigenlijk te vertrekken van de verhalen waar het vanavond om te doen is, deze van de leerlingen, of om vollediger te zijn, de gezamenlijke verhalen van de leerlingen en hun grootouders, wetend dat de band tussen beiden bij diegenen ligt die niet aan het woord komen, nl. de ouders. Zonder hen zouden de verhalen er niet zijn.
Mijn reflecties starten bij de verhalen die de leerlingen van het Koninklijk Atheneum Aarschot in hun uitgave III bijeengebracht hebben onder de titel “verkenningen van het dagelijks leven in het Hageland”. Ik stel voor om kort vijf punten te overlopen:
1. Wat is de essentiële structuur van al die verhalen? 2. Gaat het zomaar om vertelseltjes of over iets veel belangrijkers? 3. Wat is dit belangrijke? 4. Wat heeft dit met antropologie en oral history te doen? 5. Hoort zo’n wetenschappelijke methode thuis in een opleiding op secundair niveau?


 

I. De kernstructuur van de verhalen. “Wij kregen de opdracht om een informant uit te kiezen en haar/zijn leven op papier te zetten”. “Zij moesten vertellen over vroeger”. (Algemene inleiding van Kim Boschmans) Wat opvalt is dat zo goed als alle leerlingen bij hun grootouders terecht gekomen zijn, enkele keren ook bij iemand van de generatie van hun grootouders.
Wanneer de jongeren bij hun grootouders om een verhaal vragen, dan vertellen dezen hen meestal over een zwaar probleem waarmee zij in hun jeugd geconfronteerd geweest zijn, een leed, iets wat pijn gedaan heeft, maar waarin ze tegelijk bij een ander mens, hun ouders, een vriend, een bekende, een familielid bescherming gevonden hebben. Nadien gaat die pijn, de moeilijke situatie over en het leven herneemt.
Dit is de typische verhaalstructuur: - mensen zijn jong, - een enorm probleem, een groot leed overvalt hen, (variante: zij staan voor een enorme uitdaging) - dit tekent hen voor de rest van hun leven, het blijft hen bij, - de jongere mens vindt bescherming bij een ander mens, meestal iets ouder, - dit geeft hem hoop, - het probleem, het leed gaat over, (variante: de uitdaging loopt goed af) - uit de hoop die blijft, put de jongere de kracht voor een verder leven of een her-leven. (variante: men voelt zich een vrij mens)
Ik pik er enkele verhalen uit (waarbij ik me jammer genoeg zeer moet beperken). Jasmien Aerts vertelt over haar grootvader en zijn zware seizoenarbeid in de bieten in Wallonië. Hij vindt bescherming bij zijn vader tegen het te zware werk. Sabrina Beynaerts vertelt van de armoede in het Hageland in grootmoeders tijd. Later heb ik met mijn man “in de aardbeien gestaan”, vertelt grootmoeder. Haar her-leven was haar man. Zo’n verhaalstructuur wordt nog duidelijker in de oorlogsverhalen, van Johan De Herdt, Steven De Preter, Elke Eeckhout, Christophe Eggen, Noortje Janssens, Ziggy Meynckens en vele anderen. Het is trouwens opvallend hoe vaak de oorlog ter sprake komt. De oorlog is een zware bedreiging. Men vindt er een beschermende enclave bij familie of vrienden. Eenmaal de bedreiging en de pijn voorbij, wil men een nieuwe weg banen en her-leven. Het verhaal van Kim De Wel is typerend hiervoor… Het is de oma, Agnes Van Tricht, die aan het woord is. “De oorlog had zware sporen nagelaten. Op vele vlakken heerste er chaos en was het crisis”. Maar, zo gaat het verder, nu de oorlog voorbij is, “niets leek ons nog onoverwinbaar. Wij wilden allemaal zo snel mogelijk de draad van vroeger terug oppakken”. Opvallend is dat de weg die gebaand wordt een weg is van positiviteit. Geen rancune, geen bij de pakken blijven zitten. Agnes Van Tricht vertelt verder: “Winkels gingen langzaam opnieuw open. (…) Nergens waren er sippe gezichten te bespeuren. (…) Men liep zelfs fluitend over het marktplein”.
Het is interessant om alle verhalen vanuit dit oogpunt eens te herlezen, niet alleen deze die over de oorlogsjaren gaan. Er zijn verhalen over het harde boerenleven van vroeger (Gunther Frans), of van iemand die zijn leven aan de Bouworde in de Derde Wereld weggeschonken heeft en er met extreme armoede en avonturen geconfronteerd werd (Sofie Maebe). Telkens wordt pijn of armoede, waarbij men bescherming vindt, gevolgd door een weg eruit en een her-leven. En zelfs een verhaal dat van een geheel ander genre is, bijvoorbeeld doordat het meer op de confrontatie met een uitdaging focust, brengt ons opnieuw tot eenzelfde structuur. Ik denk aan het verhaal van Eef Mertens over kunstschilder Gust Dierikx. “De echte vorming naar de kunst toe heb ik te danken aan mijn professoren en aan de mensen die mij steunden.” Maar “ik heb me niet laten manipuleren”. “Een schilder heeft veel vrijheid”.

II. Als we zien dat die structuur telkens terugkomt, gaat het dan zomaar om vertelseltjes? En niet veeleer over iets veel belangrijkers? Ik citeer nu letterlijk uit de inleiding van Kim Boschmans: “Iemands geschiedenis is een kenmerk in diens leven dat de volgende jaren leiding zal geven en hopelijk zal helpen om door te zetten bij tegenslagen”.
Dit is een merkwaardige zin. Hij bestaat uit twee delen:
Iemands geschiedenis is een kenmerk in diens leven dat de volgende jaren leiding zal geven.
Wat hier vermoedelijk bedoeld wordt, is: “ik ga ervan uit dat de mensen me als hun geschiedenis zullen vertellen, ditgene wat hen getekend heeft voor het leven”. Dit betekent dat de leerlingen niet zomaar op zoek zijn naar een verhaaltje, een anecdote, maar naar iets wezenlijks binnen het leven van de oudere mensen.
En hopelijk zal dit helpen om door te zetten bij tegenslagen.
Hiermee wordt dan bedoeld: “uit de wetenschap dat voor mensen twee generaties geleden bepaalde gebeurtenissen blijvend betekenisvol zijn gebleven, zal ik hoop putten bij tegenslagen in mijn eigen jong leven”.
Wat de leerlingen hier brengen is dus in feite een reeks verhalen met een zeer duidelijk profiel, zowel structureel als inhoudelijk: 1. de verhalen vinden plaats tussen mensen die een volledige levenscyclus omspannen: kleinkinderen en grootouders; 2. het gaat over een betekenisvol gebeuren uit de jeugd van de grootouders; 3. en omdat die grootouders als jongeren aan een toenmalig zinloos gebeuren of aan een moment van pijn of van hard labeur toentertijd zin hebben kunnen geven of er positief zijn mee omgegaan, ziet de jongere van nu er een teken van hoop in voor zichzelf, mocht ook hij/zij met zoiets geconfronteerd worden vandaag.
Voor dit soort verhalen bestaat in de oral history, én in de antropologie een typisch Engels woord. Men noemt ze “narratives”, grote verhalen, niet zomaar vertelseltjes, een term die ondertussen ook in de politiek ingang heeft gevonden. Politieke partijen zullen zeggen: de kiezer is ons in ons verhaal gevolgd (of niet gevolgd).
Typisch voor grote verhalen, is niet zozeer dat ze fantasistisch of leuk zijn, meestal zijn ze dit niet. Meestal hebben zij veeleer als kenmerk dat zij herkenbaar zijn en dat zij een afstand overbruggen tussen een moment van leed, verdriet, pijn, vertwijfeling, materiële armoede enerzijds en hoe men daar uit weg geraakt is. Met andere woorden: hun boodschap is er een van hoop. Dit is zo met de grote religieuze en humanistische verhalen, dit is ook zo met de grote politieke verhalen. Het zijn verhalen van hoop, vertrekkend van een toestand die even goed tot wanhoop had kunnen leiden.
III. De grote verhalen gaan over hoop. Hoop is een ongelooflijk belangrijk gegeven in het leven van elk mens. En toch staan we er zo weinig bij stil. Wat is eigenlijk de diepe betekenis van hoop? Verwachting, zal je zeggen. Ja, natuurlijk, maar dit is een synoniem, niet een betekenis die aan de basis met hoop verbonden wordt en hoop helpt expliciteren. Als men in de tijd teruggaat, bestaat er eigenlijk een tweede betekenis voor hoop, die we in ons taalgevoel verloren zijn, al is ze zeer kenmerkend om de psychische dynamiek in de hoop ook vandaag te helpen begrijpen. Het gaat dan om “hoop” in de betekenis zoals die nog voortleeft in een uitdrukking als “Kaap de Goede Hoop”. Die uitdrukking staat niet voor “Kaap van goede verwachting”, maar voor “Kaap die zonder gevaren is, die een beschermende zone is in een gevaarlijke zee”. Hoop als “beschermend gebied”.
In de meeste verhalen die de grootouders aan hun kleinkinderen vertellen, gaat het over een gevaarlijke zee (de Tweede Wereldoorlog), waarin zij een beschermend gebied gevonden hebben (hun man, hun vrouw, enkele vrienden, andere mensen). Deze bescherming heeft hen de bedreiging laten overwinnen en dat geeft hen de kracht om te her-leven, niet te blijven steken.
“Nergens waren er sippe gezichten te bespeuren. (…) Men liep zelfs fluitend over het marktplein”.

IV. Wat heeft dit met oral history en antropologie te maken? Oral history laat mensen hun verhalen brengen, grote en kleine. Antropologie kijkt naar hoe en waar mensen optreden, naar wat ze belangrijk vinden en welke hun verhalen zijn, kleine en grote.
Beide willen ook naar de kern zoeken van wat mensen beweegt. Beide komen daarbij vroeg of laat uit bij hoop of wanhoop, liefde en haat, en hoe dit in verschillende delen van de wereld uitdrukking vindt, gestalte krijgt.
Het zijn wetenschappelijke disciplines, jawel, ze hebben hun strikte methodes, maar ze zijn ook met zingeving bezig, hoe die zich menselijk op verschillende plaatsen van de wereld en in verschillende tijden een weg zoekt.
Beide disciplines ontdekken ook, dat de mens veel minder een enkeling is dan men het soms wil laten uitschijnen. Mensen bewegen zich in grote verbanden, mensen hebben vertrouwen en hoop nodig én een beschermende zone (sommigen noemen dit met een groot woord: liefde) om te kunnen her-leven als ze geconfronteerd worden met onvermijdelijke tegenslagen. Dit is geen irrationeel inzicht. Dit is een wetenschappelijk inzicht, dat blijkt uit de methodiek zowel van de antropologie als van de oral history.
V. Heeft dit een plaats in een opleiding op secundair niveau? Ik denk dat het tijd is dat we begrijpen dat hoop en liefde niet alleen het privilege zijn van levensbeschouwingen, humanismen en religies (- waar ik uiteraard niets tegen heb), maar dat zij de reële dragers zijn van elk over-leven, van elk verder-leven. Dit is aanwijsbaar, omdat het de boodschap is die de echte oudere over-levers aan hun kinderen en kleinkinderen doorgeven, en omdat ze tegelijk ook waarden zijn die men vanuit de antropologie en de psychodynamiek een plaats moet geven, wil men leven, her-leven en vrijheid zinvol duiden.
Ik denk dat het goed is, dat jongeren, op een ogenblik dat zij volop in beweging zijn, ermee geconfronteerd worden dat hoop en liefde geen irrationele vondsten zijn, maar dat zij wel degelijk ook door rationeel denken begrond worden.
Beste Marc en collega’s, ik ben blij en fier dat u antropologie als wetenschap op deze manier toepast en tot haar volle recht laat komen.