Hans Proost

pastedGraphic

Hans Proost is licentiaat geschiedenis en leerkracht in de WICO Campus Sint-Hubertus te Neerpelt. Onderstaande tekst komt uit de inleiding van het boek 'Oral History in de Dommelvallei'.

Laten we beginnen met een bekentenis. Tot in januari hadden ik of mijn vijfdejaarsstudenten Mens en Maatschappij nog nooit gehoord van het geschiedenisproject ‘Oral History op school’, laat staan van de vzw Expeditions die dit project in goede banen leidt. U kan zich dan ook voorstellen dat de kennismaking en samenwerking met beide, die geleid heeft tot de publicatie van het boek dat u nu in handen heeft, zowel voor de leerlingen als voor mij een intense ervaring was.

De eerste kennismaking van Campus Sint-Hubertus met het project ‘Oral History’ of ‘mondelinge geschiedenis’ kwam er door toedoen van vzw De Wulp. Begin januari stelden twee van hun medewerkers een samenwerking voor tussen de vzw Expeditions, onze school en De Wulp zelf natuurlijk, en dit voor een Oral-Historyproject rond natuurbeleving in de Dommelvallei. Hun voorstel kon de school in mijn ogen om verschillende redenen simpelweg niet weigeren. De voornaamste is wel dat het project leerlingen een aantal unieke vormingskansen biedt.

Om te beginnen draagt de Oral-Historymethode in belangrijke mate bij tot de ontwikkeling van een kritische (onderzoeks)houding. Het kritisch nadenken over en beoordelen van gegevens om uiteindelijk tot een gefundeerde persoonlijke mening te komen, zou een basisattitude moeten zijn van elke leerling die het secundair onderwijs verlaat. In onze samenleving van massa-informatie en vaak ook massadesinformatie spreekt het belang van een dergelijke houding voor zich.



Verder zet Oral History leerlingen aan een beter inzicht te ontwikkelen in ruimte en tijd. Via persoonlijke verhalen van informanten die dicht bij hen staan, is een concrete voorstelling maken van wat ‘dertig, veertig of meer jaar geleden’ nu eigenlijk betekent een stuk makkelijker dan via data in een schoolboek. Leerlingen leren op deze manier ook inzien dat niet alles altijd zo was als het nu is. Bovendien ervaren ze aan den lijve dat geschiedenis heel wat meer is dan het vanbuiten leren van droge data. Waarschijnlijk bestaat er geen beter middel om leerlingen echt te betrekken bij de studie van het verleden en ze dit verleden ook daadwerkelijk te laten aanvoelen dan Oral History.

Een andere uitdaging die aan de leerlingen wordt gesteld, is het verwerken van verworven informatie tot een gestructureerde paper. Ook worden hun sociale en communicatieve vaardigheden op de proef gesteld. Een goed interview vraagt heldere en doelgerichte communicatie, aangepast taalgebruik, gepaste mimiek en lichaamstaal, een geïnteresseerde luisteraar, empathie en nog heel wat meer.

Maar hier houdt het zeker en vast niet mee op. Het belang van de contacten tussen jong en oud die door dit project tot stand worden gebracht, kan moeilijk overschat worden. Ik ben er van overtuigd dat alle leerlingen die aan het project hebben meegewerkt door hun interviews hun grootouders of andere oudere bekenden beter hebben leren kennen en waarderen. Oral History slaat een brug tussen jeugd en senioren, daar bestaat geen twijfel over!


Mondelinge geschiedenis past ook perfect in het kraam van de nieuwe tendensen in het secundair onderwijs en dus ook in dat van de ‘nieuwe leerkracht’. Vanaf het schooljaar 2004-2005 werd met de uren Vrije ruimte in de derde graad alle ruimte gegeven aan deze nieuwe onderwijsconcepten. Om die reden werd het project mondelinge geschiedenis ingepast in het seminarie Mens en maatschappij dat wordt ingericht in de Vrije ruimte. Ook dit verhaal verdient wat meer uitleg.

De middelbare school is vandaag de dag niet langer een doorgeefl uik van loutere feitenkennis. Natuurlijk blijft feitelijke basiskennis erg belangrijk, maar meer dan vroeger is het de bedoeling jongeren een aantal basisvaardigheden en –houdingen bij te brengen. Dat vraagt minder onderwijs ex cathedra en ‘ontstoffi ng’ van leerplannen, maar ook meer optreden van de leerkracht als begeleider-coach. Dit is nu juist wat de Oral-Historymethode doet: ze beperkt de opdracht van de leraar-docent drastisch en brengt de leraar-begeleider op het voorplan.

Ook de vakoverschrijdende eindtermen (VOET’en in het vakjargon) maken deel uit van de recente onderwijsvernieuwing. Ze zetten de leerkracht er onder andere toe aan rond een gemeenschappelijk thema samen te werken met andere vakleraren om het zo vanuit verschillende vakgebieden te benaderen. Ook bij dit concept sluit Oral History naadloos aan. In het project dat nu op onze school loopt kunnen geschiedenis, Nederlands, eventueel andere talen, biologie, aardrijkskunde en zelfs psychologie elkaar ontmoeten. Verder kunnen Sociale Vaardigheden, Leren Leren en Opvoeden tot Burgerzin, drie domeinen binnen het geheel van de VOET’en, probleemloos in het project worden geïntegreerd.


Een ander pluspunt van mondelinge geschiedenis op school is dat het doe-onderwijs is. Het is een activerende werkvorm die de leerlingen zelf aan de slag zet en zo hopelijk verveling op de schoolbanken tegengaat. Oral History zet ook aan tot schooloverstijgend werken. Leerlingen gaan buiten de schoolmuren op zoek naar allerhande gegevens, het resultaat van hun werk verdwijnt niet in een stoffig archief, maar belandt in de boekenwinkel ...

Bekeken door de ogen van een geschiedenisleerkracht is het belangrijk dat een project mondelinge geschiedenis aansluit bij de moderne kijk op geschiedenis en geschiedenisonderwijs. Zo zijn het sinds enkele decennia niet meer alleen de roemrijke daden van de ‘high society’, keizers en koningen, of belangrijke veldslagen en verdragen die het onderwerp van historisch onderzoek en de lessen geschiedenis zijn. Na de Tweede Wereldoorlog en vooral dan vanaf de jaren ’60 kregen ook het socio-economische domein en het leven van alledag meer aandacht onder invloed van de École des Annales en de zogenaamde Nouvelle histoire of mentaliteitsgeschiedenis. ‘Oral History op school’ is hier een erfgenaam van. Voor het belang van dit soort onderzoek, dat tegenwoordig niet meer weg te denken valt uit de geschiedeniswetenschap, verwijzen we graag naar werken van historici als Fernand Braudel, Georges Duby of Emmanuel Le Roy Ladurie, maar ook naar de boeiende bijdrage van Frank Vandenbroucke, De geschiedenis van een mensenleven, in de derde uitgave ‘Oral History op school’ van het Koninklijk Atheneum van Aarschot.


Tot slot dient een project mondelinge geschiedenis nog een ander doel, namelijk het bekendmaken van lokale en regionale geschiedenis bij een breed publiek. Oral History helpt de belangstelling voor de geschiedenis dicht bij huis en dus voor lokaal cultureel erfgoed te vergroten. Dit heeft niets te maken met misplaatste nostalgie, kerktorenmentaliteit of bekrompen lokalisme. Bewuste omgang met elementen uit het verleden, of dat nu lokaal of globaal is, verruimt onze ervaring en draagt ertoe bij het heden doorzichtig te maken.

Ook zou ik hier een aantal mensen willen bedanken. Om te beginnen de hoofdrolspelers van dit project: de zeventien vijfdejaarsstudenten Mens en maatschappij en hun informanten. In een waar sneltempo hebben zij aan dit eerste project mondelinge geschiedenis op WICO Campus Sint-Hubertus (mee)gewerkt. Vervolgens dank aan de medewerkers van De Wulp vzw, in het bijzonder aan Gaby Bollen en Willy Pardon, om de school in contact te brengen met Oral History en voor de kans die zij de school hebben geboden door het startbudget voor het project ter beschikking te stellen. Bij Gaby konden we bovendien steeds terecht met inhoudelijke vragen. Voor de vzw Expeditions denk ik in de eerste plaats aan Sam Janssen en Marc Vanlangendonck. Voor hun raad en daad inzake de methodische en praktische kant van het project, bedankt